22-02-10
Supportersbeleid ADO Den Haag: altijd alert blijven...
Jarenlang was ADO Den Haag met zijn gevreesde supporters het lelijke eendje van de voetbaldivisies. Dat is anno 2010 niet meer het geval.
“Als je even achterover leunt kan de onvrede zo weer opsteken.”
Het was een opvallend bericht in media vorig seizoen: trainer André Wetzel had zich kapot geërgerd aan de spreekkoren van de fans van FC Utrecht aan het adres van Ajacieden en riep zijn supporters op tegenstander Ajax met respect te behandelen.
En dat gebeurde – er was die zondag geen wanklank te horen in stadion. Was dit het ooit zo roemruchte Den Haag? “Jazeker”, zegt supporterscoördinator Koos Roeg. “Dit is hetzelfde Den Haag. Alleen gedragen onze supporters zich tegenwoordig. Na afloop van die wedstrijd kregen de Ajax-spelers een hand van onze voetballers. Een erehaag ging net te ver”, glundert Roeg. “Daarvoor hebben we te veel echte Haagse jongens in de selectie.”
Roeg is al jaren bij ADO Den Haag betrokken. “Mijn vader speelde bij de amateurs van Den Haag. Met de kaartjes die hij kreeg ging ik als tiener naar het stadion. Als jonge twintiger werd Roeg gevraagd om voorzitter van de supportersvereniging te worden. Er was hier veel rivaliteit tussen de wijken. Ik kwam uit het neutrale Voorburg, vandaar dat ze met mij konden leven.” Veel te juichen viel er niet in die tijd. “Ik heb veel dieptepunten meegemaakt. Een uitwedstrijd tegen Cambuur in 1982 bijvoorbeeld. Werd er in Leeuwarden een nieuwe tribune en een compleet station gesloopt. Op een gegeven moment stonden we zo’n beetje onderaan in de eerste divisie. Bij thuiswedstrijden zaten hier 700 man op de tribune. Dramatisch.”
In 2000 werd Roeg gevraagd als supporterscoördinator. “We hadden een hele reeks incidenten met de politie meegemaakt. Het zat totaal niet goed tussen fans en politie. Ik heb toen een brief naar burgemeester Deetman geschreven en tot mijn grote verbazing werd ik uitgenodigd. Werd ik eerst drie kwartier uitgefoeterd door die man.
Daarna heb ik hem een half uur van repliek gediend. Afijn, we waren wel in gesprek. Voor het eerst. Dat contact resulteerde in de oprichting van het Publieksbureau waarin de club, supporters, jongerenwerkers, jeugdzorg en politie overlegden. In het begin was er het nodige wantrouwen, met name vanuit de politie. Vanuit de hoek van de supporters was er nauwelijks weerstand. Dat overleg heeft de angel er uit gehaald. Langzamerhand kwam er steeds meer vertrouwen.”
Daarbij speelde er nog iets anders. “Onze supporters zijn fanatiek. Dat is prima. Dat hoort bij ADO Den Haag. Maar we kregen hier vaak jongens die niets met de club hadden maar alleen kwamen om rotzooi te schoppen. Iedere buurt heeft er wel een paar. Die liepen dan mee met de echte supporters. We hebben de supporters daar op aangesproken en gezegd dat ze afscheid moesten nemen van die jongens.
Ze richten de club ten gronde. Iedere echte supporter wil toch het beste voor zijn club. Die raddraaiers zie je nu niet meer. Een vorm van zelfregulering. De basis van goed supportersbeleid is de fans bij beslissingen te betrekken. Ook al zijn dat harde soms beslissingen. Ze moeten begrijpen waarom je dat doet.”
Dus zoekt Roeg de fans voortdurend op. “Laatst nog was er een gesprek met de harde kern. Zegt zo’n jongen boos dat de club niets meer voor de echte supporters doet. Stond er een andere jongen op die vertelde dat zijn oom zwaar ziek was en dat de club toch maar mooi zijn laatste wens – een bezoek aan een wedstrijd van ADO – had geregeld. Het werd gelijk stil. Voor mij laat zo’n voorbeeld zien dat de club zich moet blijven inzetten.
Als je even achterover leunt omdat het nu goed gaat kan de onvrede zomaar weer opsteken. Dat is ook mijn advies aan de directie. Ook maatschappelijke projecten, hoe klein die in hun ogen vaak ook lijken, zijn belangrijk.
Of we ons nu inzetten voor allochtone inburgeraars, chronisch zieken of jongeren, iedereen komt uit Den Haag. Dit is een kleine gemeenschap. Een van de meisjes die bij een van de projecten van Niemand Buitenspel stage loopt kan een zus zijn van een supporter. Die laat het wel uit zijn hoofd zich te misdragen.”
|